Het verhaal

Het gaat in dit verhaal in de eerste plaats om Noömi. Als kinderloze weduwe heeft zij niet veel van het leven meer te verwachten. Later in het verhaal verandert dat: haar bitterheid maakt plaats voor geluk.

In het geluk van Noömi speelt Ruth een belangrijke rol. Zij is een Moabitische vrouw, die getrouwd was met haar overleden zoon Machlon.  Als Noömi besluit om terug te gaan naar Betlehem gaat Ruth met haar mee. Ze spreekt de beroemd geworden woorden: ‘Jouw land is mijn land, jouw God is mijn God’.

Het verhaal van Noömi en Ruth is niet alleen een verhaal van crisis en verdriet, maar vooral ook een verhaal vol hoop.

 

 

Het verhaal neemt ons mee naar een tijd van crisis: er is hongersnood in Bethlehem en dat is voor ‘het huis van brood’  verschrikkelijk. Elimelech is daarom samen met zijn familie naar Moab (een gebied waar alles slecht en verdorven is) gevlucht om daar zijn geluk te beproeven. Maar het loopt anders. De mannen sterven voordat er nakomelingen zijn.

 

 

De musical begint met een korte proloog waarin we zien hoe een zekere ‘Dinges’ het huis van zijn oom Elimelech leegrooft.

Meteen na die proloog, als het verhaal echt begint, zien we drie vrouwen bij een graf: Elimelech en zijn beide zoons Machlon en Kiljon zijn gestorven. De oude  Noömi gaat daarna terug naar haar eigen stad Bethlehem en haar schoondochter Ruth gaat met haar mee. De andere schoondochter  Orpa blijft achter in Moab.

In Bethlehem moeten de vrouwen hun leven weer zien op te bouwen. Ruth gaat op het maaiveld achtergebleven aren verzamelen en ze moeten op zoek naar een ‘losser’ die hen kan onderhouden.

In Betlehem wonen twee mannen die voor ‘losser’ in aanmerking zouden kunnen komen.

En zoals Moab en Betlehem twee plaatsen zijn die in alles tegenover elkaar staan, zo zijn ook deze twee mannen elkaars tegenpolen. De man die de eerste rechten heeft mag in het verhaal nauwelijks een naam hebben: men noemt hem Dinges. Tegenover Dinges staat Boaz (‘in hem is kracht’). Hij ontfermt zich over Ruth: hij geeft haar te eten en biedt haar bescherming. Hij staat voor betrouwbaarheid, ontferming en liefde (van God) en geeft haar en Noömi toekomst.

 

 

In deze musical speelt een zilveren familiebestek een belangrijke rol. Dinges haalt het huis van zijn oom leeg om de waardevolle spullen te verkopen. Daarbij vindt hij ook het zilveren bestek met de namen van Elimelech, Machlon en Kiljon. Dinges wil het bestek in Moab verkopen, komt Orpa tegen die het bestek koopt en het later weer terugbrengt naar waar het hoort: in het huis van Noömi.

Veelzeggend is ook dat wat de buurvrouwen tegen Noömi zeggen nadat haar kleinkind geboren is: ‘Jouw schoondochter Ruth is meer waard dan zeven zonen’. Daarmee zet het verhaal de wereld op zijn kop:

niet de zoons zorgen voor toekomst, maar een vrouw doet dat.

 

 

Het verhaal begon als een begin dat geen begin was. Het eindigt met een einde dat geen einde is.

De drie vrouwen die aan het graf stonden staan uiteindelijk rond een wieg.
Dát is het verhaal van Noömi (‘de lieflijke’); een naam die geluk met zich mee draagt.